Duivelsnaaigaren

Zeg niet dat planten geen instinct hebben. En zeg nooit dat de ene plant niet van de andere profiteert. Of dat ze zachtaardig zijn. Ik kan me nog herinneren hoe ik als klein ukje in de netels viel, mama me op haar schoot probeerde te troosten en azijn op de netelbrand streek. Mijn diep verdriet verdronk in tranen. Vandaag ben ik in een rozenstruik terecht gekomen. Ik lik manmoedig mijn wonden. Het zal wel aan de leeftijd liggen. Netelbrand en rozenprikken veroorzaken al lang geen zielenpijn meer.
En over netels gesproken. In de kippenren van de buren mogen ze naar hartelust groeien. Geen kuiken dat er zich aan netelt, geen kip die er haar hoofd over breekt. Onverstoorbaar stappen ze op hoge poten voorbij. Zelfs van de hapklare brokjes in de netelbosjes blijven ze af. Tal van vlinderrupsen weten dat. Die van de kleine vos en de dagpauwoog en nog vele andere. Ze hoeven niet naar school. Ze krijgen de kennis die ze nodig hebben mee in de schoot van moeder natuur, worden niet getroost, maar wel beschermd door netelbrand en brandnetel. Daar krijg je geen kippensnavel tussen.
En denk niet dat die brandnetels niet kwetsbaar zijn. Geen zeis is te bot, geen winter te zacht. En wie gedoogt ze in de tuin? Met en zonder handschoenen worden ze meedogenloos uitgerukt. Geen tuinier die zich daarover ook maar een greintje schuldig voelt.
Vandaag ontdek ik dat ze nog een geduchte tegenstander hebben. Een kronkelende plant die ze gewoonweg uitzuigt en die de toepasselijke volksnaam duivelsnaaigaren meekreeg. Hij luistert naar de geleerde naam Cuscuta major en is een regelrechte klaploper, een slingerplant die een van de kronkels van de natuur belichaamt en naast duivelsnaaigaren de Nederlandse naam groot warkruid draagt. Het is een bijna dierlijke plant. De zaden kiemen in vochtige aarde. Meestal pas laat in het seizoen als de onkruiden al volop groeien. Door de zaadhuid groeit iets dat we als een wortel zouden herkennen en zich aan bodemdeeltjes hecht, zonder er ook maar een greintje voedsel aan te onttrekken. Dan groeit er snel een spiraalvormige draad uit. Vindt die na enkele dagen geen slachtoffer in de vorm van een levende plantenstengel dan valt hij snel op de grond waar de groei stilvalt. Heeft hij een sappig houvast gevonden, dan is de toekomst van deze zaailing van het eenjarig groot warkruid verzekerd. Op de vochtige grond blijft ook een onfortuinlijke plant nog een tijdje in leven, want als er toch een andere plant in de onmiddellijke omgeving zou kiemen kan hij die als reddingsboei gebruiken en er de sappen uitzuigen.
Soms lijkt het wel of de kiemplanten van het duivelsnaaigaren zonder ogen kunnen zien. Ze weten instinctief dode stengels te mijden en er uitsluitend de levende tussen uit te kiezen. Met de grond heeft deze woekerplant dan geen enkele verbinding meer. Hij wortelt met zijn zuigtoestellen alleen in de levende voedsterplant, in dit geval de netels in de kippenren van de buren. Instinct? Er is in tal van tuinen nog een mooi voorbeeld te vinden. Wie kent niet de inheemse muurleeuwenbek, Linaria cymbalaria, die in rotstuintjes, op muren, in voegen en in potten zijn gang mag gaan? Met de kleine klimopachtige blaadjes en de frisse blauwe bloempjes is dit rotsklimmertje een schoonheid. En het is ook lief, tenzij u het zonder beperking over hele kleine rotsplantjes laat groeien, want dan werkt het ongewild verstikkend. U moet het eens in het oog houden. Voor de bevruchting draaien de bloeistelen zich van de muur weg naar het licht en de insecten. Eens de bloem bevrucht is, draait ze zich naar de muur of de pot en zoekt de bloemstengel met het vruchtbeginsel de rotsspleetjes en de voegen op. Ogen hebben ze niet, wel instinct. Zoveel instinct dat sommige plantkundigen zeggen dat de scheiding tussen dieren en planten veel dunner is dan de meeste mensen vermoeden. Alles hangt met alles samen.
Dat is wel duidelijk. Geen kip, geen plant die ervan wakker ligt. Zelfs geen mens.