Het geslacht van de rolstoel

Ik zit en ik zit met een probleem. Ik zit er midden in. Het is de eerste keer dat ik in een rolstoel zit. Niet dat ik wat mankeer. Ik heb niet eens een been gebroken. Ik breek er mijn hoofd over. Ik zit gewoon perplex en sta voor een raadsel. Het was zopas kwart over zes. De laatste tuinbezoekers zijn vertrokken. Dan doe ik, zoals altijd na een opentuindag, mijn ronde door de tuin. Het is een soort van avondwandeling, gewoon om even heel alleen van de tuin te kunnen genieten en mijn neus in de rozen te kunnen steken. En wat staat daar. Midden onder de pergola waarover Rosa ‘Bobby James’ zijn bloeiende ranken spreidt? Een rolstoel! Helemaal verlaten. Geen mens in de buurt. Ik heb tweemaal de hele tuin door gelopen en heb snel in alle hoeken gekeken. Geen mens. Aarzelend heb ik geroepen. En daarna luider, want mijn tuin is een doolhof. Ik heb er mijn buurvrouw bij gehaald. Ook zij zocht mee. Nergens was een levende ziel te bespeuren. Alleen een vink antwoordde met een vaag suskewiet. Het raadsel wordt er niet minder om. De buurvrouw keek me aan met een guitige glimlach vol verbazing. Toen is ze traag weg gegaan, langs de lange border en de oprit. Op straat riep ze nog: “Er is hier ook geen enkele auto meer.” 
Mijn blik staat nu al een tijdje op half zeven. Hoe komt een verlaten rolstoel hier midden van de tuin? Er moet toch iemand mee tot hier gereden zijn. Er komen wel eens meer mensen in een rolstoel. Ik heb er vandaag ook een paar gezien en met een man heb ik ook uitgebreid staan praten. Maar die heb ik ook uitgeleide gedaan.
En niet eens alle paadjes zijn bereidbaar. Met een lichte gêne sta ik uit de rolstoel op. Ik was zo verbaasd dat ik er als automatisch ben in gaan zitten. Sorry, rechtmatige eigenaar. Ik neem aan dat een rolstoel iets persoonlijk is. Ik kijk naar de riddersporen die naar de witte wolken wijzen die tegen de avond gouden randjes krijgen. Ik kijk naar de rozen die alom bloeien en de tuin in juni kleur geven. Ik hou van rozen. Te veel soms. Ik heb nog steeds geen naam voor mijn tuin. Een enkele keer heb ik hem De Rozernij willen noemen, maar een vriend vond dat het te negatief klonk. Daarom heb ik deze naam weer verworpen. En toch ligt hij dicht bij de waarheid, een razernij van rozen met heerlijke bloemen en venijnige stekels, met ranken die me bij het snoeien tot bloedens toe verwonden. Maar in de rozentijd zijn mijn bijna driehonderd troetelrozen overweldigend mooi. Dan geven ze alles en nog veel meer terug. Alle inspanningen worden door de rozenstruiken honderdvoudig en door de liaanrozen in mijn tuin duizendvoudig beloond. Mijn oude grootvader was de negentig al lang voorbij toen hij, gezeten onder deze ‘Bobby James’ uitriep: “Nu heb ik de hemel gezien.” Met deze uitspraak liep de brave man hooguit een maandje vooruit.
Toen trok hij rustig naar de overkant. Met een portie fantasie lijken de witte, halfdubbele bloemen van de liaanroos ‘Bobby James’ inderdaad op engeltjes. En de stampers en de meeldraden op een bordje rijstpap of een aureooltje. Ik glimlach bij de gedachte. Wie bedenkt nu zo een gekke vergelijking? Het lijkt wel of mijn verstand vanavond op krukken loopt.
En wie vergeet er nu een rolstoel? Iemand die simuleerde? Waarom zou hij? Iemand die zijn benen niet wenst te gebruiken? Zo groot is de tuin ook weer niet. En voordeel heeft zo iemand ook niet. Het standpunt is te laag om helemaal van de tuin te kunnen genieten. En al kan ik dromen en piekeren als de beste, in een mirakel geloof ik niet. Iemand die plotseling vergeet dat hij niet kan gaan? Laat me lachen. Mijn tuin is geen wereldwonder. Hij is hooguit een beetje opwekkend.
Ik staar naar ‘Bobby James’ en zijn witte engeltjes van rozenblaadjes. Ze roepen een glimlach op. Was er geen concilie waarin de kerkvaders discussieerden over het geslacht van de Engelen? En kunnen engelen niet zweven? Welke mens vergeet er nu een rolstoel? Vergeet het! Ik weet niet eens of hij een hij is of een hij.