Het Juniversum

Er was werk aan, veel werk. Niemand die eraan meehielp kwam er zonder schrammen en kleerscheuren vanaf, maar nu bloeit de tuin weergaloos mooi. Rozen slingeren zich in bomen omhoog en spreiden hun ranken breeduit als een verstilde waterval van vuurwerk, een juniversum van bloemen. In maart liep ik een paar dagen rond met pijnlijke handen, want ondanks sterke handschoenen prikten de harde stekels in mijn vel en soms brak de top af om langzamerhand uit mijn vingers te zweren. Spreekwoordelijk hebben rozen doornen. Ik ken er maar één liaanroos zonder stekels, Rosa ‘Maria Lisa’. Al is ook zij niet helemaal ongewapend.
Er staan namelijk kleine stekeltjes op de hoofdnerven van het blad. Maar in de winter en de vroege lente wanneer de bladeren nog niet ontloken zijn, heb je daar uiteraard geen last van. Bovendien heeft deze roos een verhaal. Deze liaanroos dateert uit 1925 en is een creatie van broeder Alfons, alias Franz Karl Brümmer (1896-1946). Hij verzorgde onder meer de rozentuin van het augustijnerklooster in Gerlerhausen.
Ik verzin het verhaal, maar het leunt waarschijnlijk sterk bij de waarheid aan. Op een mooie junidag kwam kweker Liebau in de tuin en zag deze liaanroos overdadig bloeien met matrode bloempjes in grote trossen. Eerst had hij weinig aandacht voor de nieuwe roos, tot broeder Alfons hem erop wees dat de ranken geen stekels bezaten. Liebau wou deze nieuwe liaanroos daarom wel uitbrengen. De volgende dag zou hij terugkomen om stekken te snijden. Hij vroeg broeder Alfons of de roos al een naam had. “Nee,” antwoordde de brave man. “Verzin er dan één,” beval Liebau.

Broeder Alfons dacht na. Was het geen tijd om zijn abt te eren? Dat zou hij doen! Maar diezelfde avond moet hij op het matje komen en kreeg hij van de abt het verwijt te veel tijd in de rozentuin door te brengen en te weinig in de kapel. Broeder Alfons was verontwaardigd. Alsof zijn hele rozentuin geen gebed was, geen ode aan de schepper! En omdat hij vermoedde dat ook de andere monniken achter de berisping zaten, vielen ook hun namen af.

Wanneer Liebau de volgende dag stekken kwam snijden en broeder Alfons naar de naam van de roos vroeg, antwoordde die zonder aarzelen: “Maria Lisa”. “Is dat de naam van uw moeder,” vroeg Liebau. “Nee,” antwoordde de augustijnerbroeder laconiek: “het zijn de voornamen van de twee poetsvrouwen van het klooster.”

Ik hou van planten met een verhaal en ik hou van mijn vak. In mijn tuin ben ik als broeder Alfons, een tuinman als zoveel anderen. Ik doe ervaring op, want tuinieren is een ervaringswetenschap. En wat ik ervaar deel ik mee, als tuinauteur. Uiteraard heb ik niet alleen van de natuur en in het bijzonder van de tuin geleerd, ook andere tuiniers hebben me kneepjes en weetjes bijgebracht die ik kan toetsen en in mijn teksten en boeken mee-delen.

Zo zou het behoren te zijn. Je deelt de wetenschap die je opdeed, omdat het toevallig je baan geworden is. Liefde voor de natuur, werklust, ervaring en logisch denken zijn de pijlers waarop een waarachtige tuinier steunt. En dus bloedt mijn hart wanneer ik op televisie zie dat een zogenaamde specialist een grote horst reuzenbamboe, Phyllostachys, met een spade wil uitsteken. Je ziet slechts de eerste spadesteek en niet het resultaat. Evenmin zie je de stapel gebroken stelen, de frustratie, de onmacht…

Moest ik dan verwonderd zijn wanneer ik in maart een man een paar pakjes tulpenbollen en krokusknollen in het tuincentrum aan de kassa met hard geld zie betalen. Ik had willen roepen. “Die tulpen en krokussen plant je in september. Nu komt daar niets van.” Maar dan was ik onvermijdelijk bekeken als een commerciële terrorist, iemand die de handel boycotte.

Want meer dan ooit is de tuin een goudmijn geworden en er wordt aan gebrek aan kennis en ervaring schandelijk verdiend. Geef mij dus maar, net als broeder Alfons, het onbetaalbare juniversum van mijn tuin.